Waarom zijn slimme mensen niet gelukkiger?

Hier is een definitie van intelligentie waar veel psychologen achter kunnen staan:

Intelligentie is een zeer algemeen mentaal vermogen dat, onder andere, het vermogen omvat om te redeneren, te plannen, problemen op te lossen, abstract te denken, complexe ideeën te begrijpen, snel te leren en te leren van ervaringen. Het is niet louter boekenkennis, een smalle academische vaardigheid of het talent om toetsen te maken. In plaats daarvan weerspiegelt het een breder en dieper vermogen om onze omgeving te begrijpen—het "begrijpen" van zaken, het "logisch maken" van dingen, of het "uitzoeken" van wat er moet gebeuren [...] Intelligentie, zo gedefinieerd, kan worden gemeten, en intelligentietesten meten dit goed.

Intelligentie klinkt geweldig. Wie wil er nou niet "begrijpen" en "logisch maken"? Het "uitzoeken" van wat je moet doen is immers vrijwel het hele leven!

Natuurlijk zouden mensen met meer van dit mentale vermogen een gelukkiger leven moeten leiden. Wanneer ze een probleem tegenkomen, zouden ze hun superieure probleemoplossend vermogen moeten gebruiken om het op te lossen. Slimmere mensen zouden beter moeten zijn in het maken van plannen en het bereiken van hun doelen, en ze zouden meer moeten leren van hun fouten en er vervolgens minder moeten maken. Al dit zou moeten leiden tot een leven waarin slimme mensen zeggen: "Dit leven is fantastisch!"

Dus slimmere mensen zijn gelukkiger, toch?

Nou, deze meta-analyse zegt van niet. Een andere zegt: misschien een heel klein beetje. Een groot, nationaal representatief onderzoek uit het Verenigd Koninkrijk concludeert dat mensen die het laagst scoren op een intelligentietest iets minder gelukkig zijn dan de rest, maar dat is eigenlijk wel alles.

Ik heb ook gegevens geanalyseerd van de General Social Survey, die (a) een korte vocabulairetest bevat die redelijk goed lijkt te correleren met langere intelligentietesten, en (b) een eenvoudige maatstaf voor geluk: "Alles bij elkaar genomen, hoe zou u zeggen dat het tegenwoordig gaat—zou u zeggen dat u erg gelukkig bent, vrij gelukkig, of niet zo gelukkig?" Over 50 jaar aan data en 30.346 mensen waren de mensen die hoger scoorden op de vocabulairetest een klein beetje minder gelukkig (r = -.06, p < .001).

Wat is hier aan de hand?

Misschien zijn onze testen slecht. De psychologische studie naar intelligentie heeft een lange, sombere geschiedenis van racisme en vooroordelen tegen arme mensen ("drie generaties imbecielen zijn genoeg"), dus we zouden sceptisch moeten zijn. Psychologen proberen al lange tijd vooroordelvrije testen te ontwikkelen, maar dat is moeilijk. Bovendien scoren mensen hoger op IQ-testen wanneer ze worden betaald voor hun prestaties, waardoor wat lijkt op een test van intelligentie, gedeeltelijk een test kan zijn van hoe hard je bereid bent om je in te spannen.

Maar zelfs als intelligentietesten alleen iets meten als het "vermogen om te slagen in een oneerlijke samenleving" of de "bereidheid om hard te werken", verdiept dat het mysterie alleen maar. Zouden die mensen niet juist een gelukkiger leven moeten leiden, hoe oneerlijk dat ook mag zijn?

En de testen meten waarschijnlijk meer dan alleen privilege en inzet. Er is veel scepsis over intelligentietesten in de psychologie, maar zelfs de grootste sceptici zijn het erover eens dat IQ zaken kan voorspellen zoals hoe goed je het op school doet en welk soort baan je krijgt, zelfs rekening houdend met alle kritiek. Waarom voorspelt het dan niet of je een leven leidt waar je tevreden over bent?

De invloed van Charles Spearman

Ik denk dat er één man verantwoordelijk is voor dit grote mysterie, en zijn naam is Charles Spearman.

Al in 1904 merkte Spearman iets vreemds op: dezelfde kinderen die goed scoorden in het ene schoolvak, hadden de neiging om ook in andere vakken goed te scoren. De correlaties waren natuurlijk nooit perfect, maar ze waren behoorlijk hoog, zelfs tussen vakken die heel verschillend leken, zoals Frans en wiskunde. Hoe kwam dat?

Spearman concludeerde dat er een algemeen mentaal vermogen moet zijn dat mensen gebruiken om alle soorten problemen op te lossen. Hij schreef later:

Deze aanhoudende neiging tot succes van dezelfde persoon in alle variaties van zowel vorm als onderwerp—dat wil zeggen in alle bewuste aspecten van cognitie—lijkt alleen verklaarbaar door een factor die dieper ligt dan de fenomenen van het bewustzijn.

Dit is, denk ik, precies waar het de afgelopen 119 jaar misging in de studie naar intelligentie. Het is niet zo dat de resultaten van Spearman onjuist waren—integendeel, ze zijn keer op keer gerepliceerd. Op dit punt moet vrijwel elk artikel over intelligentie beginnen zoals deze review uit 2006:

In de studie naar intelligentie is één empirisch fenomeen goed vastgesteld: testscores op cognitieve taken vertonen een positieve manifold, dat wil zeggen, ze zijn onveranderlijk positief met elkaar gecorreleerd, zij het in variërende mate. Dit impliceert dat mensen die goed scoren op één cognitieve test, waarschijnlijk ook goed scoren op andere cognitieve testen. De positieve manifold is een robuust fenomeen.

Spearmans statistieken waren correct, maar zijn interpretatie was onjuist. Hij observeerde niet, zoals hij beweerde, een "aanhoudende neiging tot succes in alle variaties van zowel vorm als onderwerp," noch heeft iemand anders dat gedaan. Het lijkt alleen alsof we alle vormen en onderwerpen hebben gevarieerd, omdat we de verkeerde theorie hebben over wat ze verschillend maakt.

We denken dat testen voor wiskunde, vocabulaire, Frans, muziek, etc. allemaal verschillend zijn omdat sommige over woorden gaan, andere over getallen en weer andere over geluiden. Maar psychologie, zoals alle wetenschappen, draait om het ontdekken van de verschillen tussen ogenschijnlijk soortgelijke dingen, en het ontdekken van de overeenkomsten tussen ogenschijnlijk verschillende dingen.

Net als de Müller-Lyer-illusie (twee lijnen die er verschillend lang uitzien maar dat niet zijn), denk ik dat al onze verschillende intelligentietesten minder verschillend zijn dan ze lijken. Ze bevatten allemaal problemen die een paar belangrijke zaken gemeen hebben:

  • Er zijn stabiele relaties tussen de variabelen.
  • Er is geen onenigheid over of de problemen inderdaad problemen zijn, of of ze zijn opgelost.
  • Ze hebben duidelijke grenzen; er is een eindige hoeveelheid relevante informatie en mogelijke acties.
  • De problemen zijn herhaalbaar. Hoewel de details kunnen veranderen, verandert het proces om de problemen op te lossen niet.

Ik denk dat een goede naam voor dit soort problemen "goed gedefinieerde problemen" is. Goed gedefinieerde problemen kunnen zeer moeilijk zijn, maar ze zijn niet mystiek. Je kunt instructies opschrijven om ze op te lossen. En je kunt ze in een test zetten. Sterker nog, items op gestandaardiseerde testen moeten goed gedefinieerde problemen zijn, omdat ze onbetwistbare antwoorden vereisen. Het koppelen van een woord aan een synoniem, het berekenen van de oppervlakte van een trapezium, het in de juiste volgorde zetten van afbeeldingen—allesmaal veelvoorkomende taken op IQ-testen—zijn goed gedefinieerde problemen.

Spearman had gelijk dat mensen verschillen in hun vermogen om goed gedefinieerde problemen op te lossen. Maar hij had ongelijk dat goed gedefinieerde problemen de enige soort problemen zijn. "Waarom kan ik niemand vinden om mijn leven mee te delen?", "Moet ik tandarts of danser worden?" en "Hoe zorg ik dat mijn kind stopt met huilen?" zijn allemaal belangrijke, maar slecht gedefinieerde problemen. "Hoe kunnen we allemaal met elkaar overweg kunnen?" is geen meerkeuzevraag. Dat is "Wat doe ik wanneer mijn ouders oud worden?" ook niet. En beter worden in het roteren van vormen of het onthouden van hoofdsteden gaat je niet helpen deze problemen op te lossen.

We dragen allemaal een deel van de schuld samen met Spearman, omdat iedereen over slimheid praat alsof het één ding is. Zoek op "slimste mensen ter wereld" en de meeste resultaten zullen natuurkundigen, wiskundigen, computerwetenschappers en schaakmeesters zijn. Dit zijn allemaal moeilijke problemen, maar ze zijn goed gedefinieerd, wat het gemakkelijk maakt om mensen te rangschikken. De beste schaker ter wereld is degene die iedereen kan verslaan. De beste wiskundige is degene die de problemen kan oplossen die niemand anders kon oplossen. Dat wekt de indruk dat de beste schakers en wiskundigen niet alleen de slimste in hun vakgebied zijn, maar de slimste ter wereld.

Het slecht gedefinieerde probleem van het 'bestaan'

Er is helaas geen goed woord voor "vaardigheid in het oplossen van slecht gedefinieerde problemen". Inzicht, creativiteit, agency, zelfkennis—ze maken er allemaal deel van uit, maar ze beslaan niet alles. "Wijsheid" komt het dichtstbij, maar dat suggereert een zekere ouderwetsheid en grandeur, terwijl slecht gedefinieerde problemen niet alleen dramatische vragen zijn zoals "hoe leid je een goed leven"; het zijn ook alledaagse vragen zoals "hoe organiseer je een leuk feestje" en "hoe bepaal ik wat ik vandaag ga doen".

Een manier om mensen te herkennen die goed zijn in het oplossen van slecht gedefinieerde problemen, is door te kijken naar mensen die zich goed voelen over hun leven; "hoe leid ik een leven waar ik van houd" is een enorm slecht gedefinieerd probleem. De regels zijn niet stabiel: wat jou gelukkig maakt, kan mij ellendig maken. De grenzen zijn niet duidelijk: letterlijk alles wat ik doe zou me gelukkiger of ongelukkiger kunnen maken. De problemen zijn niet herhaalbaar: wat me gelukkig maakte toen ik 21 was, maakt me misschien niet gelukkig als ik 31 ben. Niemand anders kan volledig zeker weten of ik gelukkig ben of niet, en soms weet ik het zelf niet eens.

Dit is waarom mensen die hoog scoren op intelligentietesten en veel schaakwedstrijden winnen, niet gelukkiger zijn dan mensen die de testen zakken en verliezen bij het schaken: goed gedefinieerde en slecht gedefinieerde problemen vereisen volledig verschillende probleemoplossende vaardigheden. Het leven is geen schaakspel! Niemand is het eens over de regels, de stukken doen wat ze willen, en het bord beslaat de hele wereld, evenals de binnenkant van je hoofd en mogelijk verschillende metafysische vlakken.

Als je zo slim bent, waarom ben je dan zo dom?

Hier is een andere manier om ernaar te kijken.

Stel dat je de wiskundige vaardigheden van mensen wilt testen. Je ontwerpt een test, neemt deze af bij een groep mensen, doet al je psychometrie, etc. Je bent erg tevreden over je wiskundetest. En dan merk je dat sommige mensen die je test met uitmuntende cijfers hebben voltooid, later dingen zeggen als "twee plus twee is 19" en "88 is het grootste getal". Je zou je behoorlijk beschaamd voelen over je wiskundetest, omdat deze duidelijk geen wiskundige vaardigheid meet, als hij überhaupt iets meet.

Dit is precies de situatie waarin we verkeren met testen die beweren iemands "redeneervermogen" en "probleemoplossend vermogen" te meten. Christopher Langan, een man die verbazingwekkend hoge scores haalt op IQ-testen, gelooft dat 9/11 een inside job was, specifiek bedoeld om het publiek af te leiden van zijn theorieën, en hij beweert dat banken hem geen lening willen geven omdat hij wit is. John Sununu heeft naar verluidt een IQ van 176, maar hij moest toch aftreden als stafchef van George H.W. Bush omdat hij militaire jets gebruikte voor zijn tandartsafspraken. Bobby Fischer is een van de grootste schakers aller tijden, maar hij beweerde ook dat Hitler een goed mens was, dat de Holocaust niet is gebeurd, en dat Joden christelijke kinderen vermoorden voor hun bloed. Dan is er nog de steeds langer wordende lijst van professoren aan elite-universiteiten die zijn gedisciplineerd of ontslagen vanwege seksuele intimidatie van collega's en studenten, het volledig verzinnen van data, of het omgaan met bekende pedofielen.

Dit zijn mensen die worden beschouwd als enkele van de slimste ter wereld, begaafd met uitzonderlijke probleemoplossende vermogens. En toch zijn ze niet in staat om basisproblemen op te lossen die slecht gedefinieerd zijn, zoals "een basisgreep op de realiteit behouden", "een goed mens zijn" en "geen levensveranderende blunders maken".

Kijk naar onze prestaties en raak in wanhoop

En hier is nog een andere manier om ernaar te kijken.

In de afgelopen generatie hebben we talloze goed gedefinieerde problemen opgelost. We hebben de pokken en polio uitgeroeid. We zijn op de maan geland. We hebben betere auto's, koelkasten en televisies gebouwd. We zijn zelfs ongeveer 15 IQ-punten slimmer geworden! En hoe hebben we ons over dit ongelooflijke succes gevoeld?

Nou: al die vooruitgang heeft ons geen beetje gelukkiger gemaakt. Ik denk dat hier een belangrijke les in zit: als het oplossen van een hele reeks goed gedefinieerde problemen onze voorgangers niet gelukkiger heeft gemaakt, zal het ons waarschijnlijk ook niet gelukkiger maken. De barrière tussen jou en eeuwige zaligheid is waarschijnlijk niet de grootte van je televisie, noch je vermogen om Raven's Progressive Matrices op te lossen.

(Om duidelijk te zijn: ik vind het nog steeds goed dat we dit allemaal hebben gedaan. Polio is verschrikkelijk en naar de maan gaan is geweldig.)

Ik wou dat we meer wisten over hoe we dat geluk kunnen verhogen, maar we hebben het probleem van "een gelukkig leven leiden" simpelweg nog niet gedefinieerd. We weten dat als je honger lijdt, eenzaam bent of pijn hebt, je waarschijnlijk gelukkiger wordt als je voedsel, vrienden en verlichting krijgt. Daarna nemen de voordelen zeer snel af. Je kunt alle positieve psychologie lezen die je wilt, de online versie van The Science of Wellbeing volgen, mediteren, sporten en een dankbaarheidsdagboek bijhouden—en na dat alles ben je misschien een klein beetje gelukkiger. Wat je ook denkt dat een grote, permanente glimlach op je gezicht zal toveren, je hebt waarschijnlijk ongelijk.

Dus als je echt op zoek bent naar een transformatieve verandering in je geluk, kun je beter iets ouds lezen. De grote denkers uit het verre verleden leken geobsedeerd door het uitzoeken van hoe men een goed leven leidt: Socrates, Plato, Aristoteles, Epicurus, Boeddha, Confucius, Jezus, Marcus Aurelius, St. Augustinus, tot aan Thoreau en Vivekananda. Maar op een gegeven moment is dit soort zaken blijkbaar uit de mode geraakt.

En misschien komt dat omdat er geen vooruitgang meer te boeken is in het slecht gedefinieerde probleem van "hoe we leven". Maar de meeste goed gedefinieerde problemen waren ooit slecht gedefinieerd. Bijvoorbeeld: "hoe landen we op de maan" was gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis een hopeloos slecht gedefinieerd probleem. Het is alleen logisch als je weet dat de maan een grote rots is waar je op kunt landen en niet, bijvoorbeeld, een god die in de lucht zweeft. We hebben langzaam wat definities rond dat probleem geplaatst, en toen stuurden we op een dag een man naar de maan die daar rondliep en zei: "Ik ben nu op de maan." Als we dat kunnen, kunnen we misschien ook uitzoeken hoe we een goed leven leiden. Het lijkt me zeker de moeite waard om te blijven proberen.

Maar bestaan er niet meerdere vormen van intelligentie?

Ik ben niet de eerste die voorstelt dat "algemene" intelligentie meer is dan één ding. Vrijwel direct nadat Spearman begon te beweren dat intelligentie voornamelijk één ding is, begonnen anderen te zeggen dat intelligentie eigenlijk veel dingen zijn. Tegenwoordig beweert de populairste versie van deze theorie dat er iets als acht intelligenties zijn, variërend van "visueel-ruimtelijk" tot "lichamelijk-kinesthetisch". Ik heb sympathie voor dit standpunt omdat het probeert rekening te houden met alle verschillende, wonderlijke dingen die mensen kunnen doen. Maar het heeft twee grote problemen.

Probleem 1: Mensen proberen zelden bewijs hiervoor te vinden. En wanneer ze dat doen, ontdekken ze dat mensen die hoog scoren op één van de vele intelligenties, de neiging hebben om ook hoog te scoren op de andere, precies zoals Spearman honderd jaar geleden zou hebben voorspeld.

Probleem 2: Wanneer je elke menselijke activiteit labelt als een eigen intelligentie, geef je elke hoop op om iets te begrijpen over de structuur van problemen in de wereld of hoe mensen ze oplossen. We kunnen elke categorie bedenken die we willen; ze zijn niet door God gegeven. De enige reden om bepaalde categorieën te gebruiken en andere niet, is dat sommige categorieën nuttig zijn en andere niet.

Bijvoorbeeld, we hadden een periodiek systeem kunnen maken dat de elementen alfabetisch ordende, of op kleur, of op hoe goed ze smaken. In plaats daarvan ordenen we ze op atoomnummer, niet omdat dat hun "ware" volgorde is, maar omdat het nuttig is. Het helpt ons dingen te beseffen zoals: "Hé, we hebben een nummer 62 en een nummer 64—ik vraag me af of er een nummer 63 is. We moeten ernaar gaan zoeken."

Dus we moeten de manier van categoriseren van intelligentie kiezen die ons het meeste oplevert. "Intelligentie is veel dingen" kan niet verklaren waarom mensen vergelijkbaar presteren op ogenschijnlijk verschillende testen, en "intelligentie is voornamelijk één ding" kan geen antwoord geven op een basisvraag als "waarom zijn slimme mensen niet gelukkiger?". Maar we kunnen beide uitdagingen aan wanneer we intelligentie opsplitsen in vaardigheid in het oplossen van goed gedefinieerde en slecht gedefinieerde problemen.

En dat is niet alles wat we kunnen doen.

Het gedeelte over AI

Mensen zien AI als een grote klomp probleemoplossend vermogen. Als je de klomp groter maakt, kan het moeilijkere problemen oplossen. Dat is tot nu toe zeker waar geweest: gigantische klompen AI kunnen nu auto's besturen, onze grootste schakers verslaan en voorspellen hoe eiwitten vouwen.

Dit is allemaal heel snel gegaan, waardoor het lijkt alsof we afstevenen op een "algemene" kunstmatige intelligentie die alles kan doen wat mensen kunnen. Maar als je problemen opsplitst in goed gedefinieerd en slecht gedefinieerd, merk je dat alle vooruitgang van AI is geboekt op gedefinieerde problemen. Dat is wat kunstmatige intelligentie doet. Om AI een probleem te laten oplossen, moeten we het data geven om van te leren, en het kiezen van die data vereist het definiëren van het probleem.

Dat betekent niet dat de problemen die AI tot nu toe heeft opgelost, dom of triviaal zijn. Ze zijn echt belangrijk en interessant! Ze zijn alleen allemaal goed gedefinieerde problemen. En we moeten verwachten dat dit patroon zich voortzet: voor elk goed gedefinieerd probleem zal AI uiteindelijk mensen overtreffen. Maar voor slecht gedefinieerde problemen is AI hopeloos. Om die op te lossen, hebben we mensen nodig die rondlopen en vreemde menselijke dingen doen.

"Wat dert GPT-3—het kan filmscripts schrijven! En wat dert DALLE-2—het kan schilderijen maken!" Deze AI's voeren een slimme truc uit: ze laten het lijken alsof ze slecht gedefinieerde problemen oplossen, terwijl ze onder de motorkap eigenlijk goed gedefinieerde problemen oplossen. GPT-3 schrijft geen filmscripts; het voorspelt welke woorden er volgt. DALLE-2 schildert geen schilderijen; het koppelt woorden aan afbeeldingen. Deze problemen zijn niet gemakkelijk op te lossen—daarom heb je zo'n grote klomp AI nodig. Maar ze volgen duidelijke, onveranderlijke regels, ze hebben heldere grenzen en je weet precies wanneer je ze hebt opgelost. Het zijn goed gedefinieerde problemen. (Dit is overigens ook waarom AI-kunst geen kunst is).

Als je een super-slimme AI in het oude Griekenland zou opstarten, hem alle menselijke kennis zou voeden en zou vragen hoe je op de maan landt, zou hij antwoorden: "Je kunt niet op de maan landen. De maan is een god die in de lucht zweeft." Hoe zou je hem laten beseffen dat de maan eigenlijk een grote rots is? Dat is een geweldig, slecht gedefinieerd probleem, en ik verwacht niet dat AI dat binnenkort gaat oplossen.

Een eerbetoon aan mijn grootmoeder

Hier is nog één laatste voordeel van het verdelen van intelligentie in goed gedefinieerde en slecht gedefinieerde probleemoplossing: het herinnert ons eraan om respect te tonen waar respect verschuldigd is.

We hebben geen enkel probleem ermee om mensen te bewonderen die goed zijn in het oplossen van goed gedefinieerde problemen. Zij mogen "professor" en "doctor" worden genoemd. We betalen hen veel geld om ons dingen te leren. Ze mogen lid worden van exclusieve clubs zoals Mensa en de Prometheus Society.

Mensen die goed zijn in het oplossen van slecht gedefinieerde problemen krijgen niet hetzelfde soort erkenning. Ze krijgen geen speciale titels of clubs. Er is geen test die ze kunnen maken die een groot getal uitspuugt waardoor iedereen hen respecteert.

En dat is jammer. Mijn grootmoeder weet niet hoe ze de "input"-knop op de afstandsbediening van haar tv moet gebruiken, maar ze weet wel hoe ze een familie vol goede mensen moet opvoeden die van elkaar houden, hoe ze door een tragedie heen moet komen en hoe ze de perfecte pompoentaart bakt. We noemen dit soort wijsheid soms neerbuigend "volks" of "eenvoudig", alsof het beantwoorden van meerkeuzevragen echte intelligentie is, en het leiden van een goed, vol leven gewoon iets schattigs is wat oude dames doen.

Het uitsluiten van dit soort intelligentie uit onze definities schaadt niet alleen onze grootmoeders—het schaadt ons ook. Als je het vermogen om slecht gedefinieerde problemen op te lossen niet waardeert, zul je er nooit meer van krijgen. Je zult niet op zoek gaan naar mensen die dat vermogen hebben om van hen te leren, noch zul je naar hen luisteren wanneer ze iets belangrijks te zeggen hebben. Je zult je hele leven besteden aan het proberen op te lossen van problemen met slimheid, terwijl je eigenlijk wijsheid nodig hebt. En je zult je afvragen waarom het nooit echt lijkt te werken. Al je optimalisatie, je streven naar succes en vooruitgang, je meedogenloze kruistocht om alle goed gedefinieerde problemen uit je leven te elimineren—het lijkt je leven niet daadwerkelijk beter te maken.

Als je vastzit in het proberen op te lossen van slecht gedefinieerde problemen met je glimmende, goed gedefinieerde probleemoplossende vaardigheden, en je hebt het geluk dat er een grootmoeder zoals de mijne nog op aarde is: mijn god, ga haar bezoeken. Houd je mond en luister een tijdje naar haar. En zodra je iets hebt geleerd, vraag haar dan misschien of ze hulp nodig heeft met haar televisie.